Gericht fokken

Wanneer je de fok van de Oudhollandse Meeuw serieus neemt fok je naar het ideaalbeeld zoals dat in de standaard staat. Om dat te bereiken ga je gericht fokken en aan een stam bouwen. Laat ik beginnen met te zeggen, dat er heel veel verschillende meningen zijn over hoe een stam op te bouwen. Feitelijk heb ik in mijn leven als serieus sierduivenfokker driemaal een start gemaakt. Ik zal hier mijn ervaringen door de jaren heen weergeven.

Toen ik in de 80-er jaren begon met serieus duivenfokken en de ervaren duivenfokkers vroeg naar hun ervaringen en ook zoveel mogelijk boeken hierover las, kwam ik tot de conclusie dat het noodzakelijk was aan familieteelt/ inteelt te doen om succes te krijgen. Dit werd niet alleen gepropageerd door sierduivenfokkers, maar ook in de postduivenwereld. Het is ook zeker waar dat familieteelt de snelste manier is om bepaalde eigenschappen vast te leggen. Feitelijk ben je bezig de variatie er zoveel mogelijk uit te halen, zodat alle dieren de gewenste raskenmerken gaan vertonen.
Ik had in die periode vanaf 1980 een klein hok met ruimte voor 6 koppels en had me nog niet gespecialiseerd in een bepaalde kleurslag. Ik had toen alle gebande Oudhollandse Meeuwen en koppelde die ook door elkaar. Die eerste paar jaar had ik wel nodig om te snappen welke raskenmerken belangrijk zijn en waar je op moet letten bij de fok. In principe is elk kenmerk erfelijk, maar met sommige (ongewenste) eigenschappen kun je wel wat risico nemen, terwijl er ook zijn die ik absoluut niet in mijn stam wil. Het kost wat tijd om hier achter te komen. Uiteraard moet je je vooraf goed laten informeren maar bedenk wel dat het fokken geen exacte wetenschap is. Het loopt iedere keer weer anders. Soms heb je een duif gefokt waarvan je verwacht dat je er een hele stam mee kunt opbouwen en uiteindelijk komt er toch niet de kwaliteit uit die je verwacht. Vooral wanneer je begint en je duiven en hun achtergrond nog niet zo goed kent, kun je voor verrassingen komen te staan.

In 1986 besloot ik me te gaan specialiseren in de kleurslag blauw. Mijn basisdieren waren grotendeels afkomstig van Klaas de With en Jan Charisius. Zij stonden in de 80-er jaren aan de top met hun stam geelzilvers. In die tijd waren er verschillende fokkers die een Antwerpse Smierel inkruisten om zwaardere koppen en steviger snavels te krijgen. Ook de fokkerscombinatie Charisius de With legde de basis van hun stam door twee Smierels van de toenmalige voorzitter Boskma. Dit inkruisen betekende in die tijd een grote vooruitgang voor de Oudhollandse Meeuwen. Ik weet dat niet iedereen daar zo over denkt, maar voor mij moet een Oudhollandse Meeuw gewoon een krachtige snavel hebben. Door te kruisen krijg je geweldig vitale dieren want ze zijn totaal onverwant. Ik vond nog een foto van een duivin die ik van Ane Visser heb gehad. Het was een kruising tussen een Antwerpse Smierel en een Oosterse Meeuw. Ik heb hier goed mee gefokt. Hans Fles vertelde laatst nog dat hij daar nog steeds nafok van heeft.

Kruisen

Duivin half Smierel half Oosterse Meeuw staat garant voor jongen met stevige snavels en veel vulling

Op de shows was ik altijd erg gecharmeerd van de dieren van Gerard ter Huurne. Hij had toen een stam stevige dieren met zware voorkoppen. Ik kreeg van hem een mooie jonge doffer die precies paste op een duivin van Combinatie Charisius de With. Een jonge duivin uit dat koppel kwam op een doffer van Geert Strijker.

Showduivin uit 1988

Showduivin uit 1988

Uit deze twee koppels heb ik toen een stammetje blauwe Oudhollandse Meeuwen opgebouwd. Ik fokte dieren met veel borstbreedte en enorm zware voorkoppen en snavels. De jonge duivin die ik net noemde had aan de linkerkant keurig 7 witte slagpennen en alle duimveertjes gekleurd, maar aan de rechterkant 12 witte pennen, geen duimveren gekleurd en ook nog wat witte veertjes erachter. Tegenwoordig krijgt zo´n dier een “Onvoldoende“ (minimaal één gekleurde duimveer vereist) maar toen kon je daar nog mee naar de shows. Doordat de basis zo smal was had ik binnen de kortste keren dat probleem met die witte vleugelboog vastgelegd. Het irritante was ook nog een keer dat het altijd aan dezelfde kant zat. Het viel mij overigens op toen ik enkele jaren geleden opnieuw begon dat de witte vleugelbogen bij de meeste Oudhollandse Meeuwen nog steeds aan de rechterkant zitten. Iedere fokker van Oudhollandse Meeuwen kent bij het selecteren het dilemma van de tekeningfouten wel. Ook bonte buiken komen veel voor.

Terugkijkend op die fokperiode kan ik concluderen dat ik teveel fokdieren met tekeningfouten heb aangehouden. In mijn eigen stam lukte het me niet meer die ongewenst eigenschappen uit te selecteren. Mijn conclusie was dat ik te lang had doorgefokt met mijn eigen stam, dus feitelijk teveel aan inteelt had gedaan.
Dit had ook nog eens tot gevolg dat de fok moeizaam ging. Ik kreeg steeds meer last van slecht broeden en voeren. Het kan bijna niet anders of de familieteelt had de eigenschappen die te maken hebben met vitaliteit, gezondheid en weerstand negatief beïnvloed. Het staat voor mij daarom wel vast, dat hoe mee je aan inteelt/ familieteelt doet, hoe minder jongen je zult fokken.

Ik heb dit zelf kunnen ervaren toen ik in 2009 helemaal opnieuw ben begonnen. Ik prijs me gelukkig dat ik van de beste fokkers dieren kon krijgen. Van Loet de Groot, Bertus Kok, Hans Fles en ook goede dieren van Joop Fidder en van Jan van Dongen. Totaal zo’n 30 dieren. Later heb ik er nog een paar dieren bijgehaald.
Ik had besloten het deze keer anders te doen en heb al deze dieren bewust zo gekoppeld dat geen dieren van dezelfde fokker op elkaar kwamen. Ik keek uitsluitend naar het uiterlijk en koppelde op compensatie. Uit mijn fokadministratie blijkt dat ik totaal in mijn eerste 3 jaren 30 aangeschafte dieren heb ingezet voor de fok. Van 12 ervan heb ik geen nafok aangehouden, dus 18 dieren vormen de basis voor mijn stam. In fokjaar 2013 heb ik nog met één vreemde duivin gefokt en met zeven vreemde doffers en fokjaar 2014 één vreemde duivin en vier vreemde doffers.
Dit zoveel mogelijk onverwant koppelen heeft goed uitgepakt. Vanaf het eerste fokjaar heb ik gemiddeld 6 jongen per koppel gefokt en dat is een aantal dat ik in mijn vroegere fokperiode nooit heb gehaald.
Daarom heb ik die lijn voortgezet. Er is niet veel rekenkunst voor nodig om te beseffen dat je dit met 12 fokkoppels slechts enkele jaren kunt volhouden. Vooral wanneer je een koppel hebt dat echt goede jongen geeft en je houdt daar 3 of 4 van aan, dan gaat het hard. Je ontkomt er dan niet aan koppels te maken die verwant zijn. Na enkele jaren wordt wel duidelijk wat je stam in zich heeft en vooral ook voor welke raskenmerken je versterking kunt gebruiken. Daar kun je dan heel gericht naar op zoek gaan. Zo heb ik eind 2013 een dier geruild met Geert Strijker en eentje met Joop Fidder. Als het goed aanslaat sla je daarmee twee vliegen in een klap, je krijgt die kenmerken van dat goede dier in je stam en boekt ook nog winst op het gebied van vitaliteit. Mijn uitgangspunt blijft dat ik probeer zoveel mogelijk met onverwante dieren te fokken. Wat ik nog niet heb genoemd, is dat je altijd heel streng moet selecteren op gezondheid. Slecht opgroeiende jongen moet je wegdoen en ook ouderdieren die niet goed broeden of voeren. Feitelijk is dit allemaal degeneratie. Ook agressie schaar ik daaronder, dit komt volgens mij meer voor bij doorgefokte stammen.

V2009S4908Je weet van tevoren nooit welke dieren goede fokdieren zullen zijn. In 2009 had ik ook Jan van Dongen gevraagd om dieren. Hij wilde me graag helpen maar had dat jaar niet zo geweldig gefokt. “Ik heb nog wel twee late jongen uit een goed koppel die je wel mag hebben”, zei Jan. Hartstikke mooi natuurlijk. Toen ze wat verder waren uitgegroeid bleken het een doffer en een duivin te zijn. De doffer had een bonte buik en daar heb ik niet mee gefokt. De duivin (4908-2009) groeide uit tot een prachtig dier en bleek ook nog eens een geweldig fokdier te zijn. Ik heb er in 4 fokseizoenen maar liefst 31 jongen uit gefokt. Vier jaar later is al de helft van mijn fokdieren nakomeling van deze duivin.

Hier nog een voorbeeld van gericht fokken op een bepaalde eigenschap. In 2009 heb ik zo´n 30 duiven aangeschaft. Daar heb ik begin 2010 10 koppels mee samengesteld. Fokken is niets anders dan het bewaren en vastleggen van goede eigenschappen en wegfokken van de slechte. Zo maakte ik in 2010 een koppel van een doffer van Loet de Groot en een duivin van Bertus Kok.

2010 Koppel G

Koppel G 2010

Het is altijd lastig is om goede foto´s van duiven te nemen waarbij alle goede en slechte eigenschappen zichtbaar zijn. De doffer blonk uit in zijn strakke schedel en mooie puntige puntkap, maar had iets te weinig vulling in de voorkop. De duivin had een geweldige mooie stop, voorkop en snavelpartij. Hoewel beide dieren goed getekend waren, hadden de meeste jongen eruit een witte vleugelboog. Ik hield een jonge duivin (2555-10) aan met de mooie voorkop van haar moeder, maar ze had helaas te weinig vulling achter de neusdoppen.

2011 Koppel F

Koppel F 2011

Deze duivin koppelde ik het jaar daarop aan een doffer van Hans Fles met veel vulling in de voorkop. Ook met deze combinatie lukte het niet om duiven te fokken met voldoende vulling achter de neusdoppen. Ik heb uiteindelijk weer een duivin eruit aangehouden met de mooiste voorkopbelijning een goede stop en ook nog een keer een geweldig type (5704-11). Maar dus nog steeds wat te weinig vulling. Ze staat ook op de foto aan de bovenkant van deze site, helemaal aan de rechterkant.

Koppel H

Koppel H 2012

Deze duivin heb ik gekoppeld aan een oude fokdoffer die ik van Klaas de With had geleend. Uit deze combinatie heb ik wederom veel misgetekende dieren gefokt en maar eentje aangehouden, een doffer (517-2012). Deze is wel helemaal goed belijnd en heeft genoeg vulling. Ik zie er weer veel eigenschappen van de overgrootmoeder in terug. Hieruit fok ik weer jongen met stop en veel vulling. Zo zie je maar weer dat het soms enkele generaties duurt voor je een eigenschap kunt vastleggen.

Koppel D

Koppel D 2013

Dit is zomaar een voorbeeld waarbij het goed heeft uitgepakt. Het gaat natuurlijk ook vaak mis. Op zoek naar dat ene zo gewenste kenmerk neem je soms teveel andere slechte eigenschappen voor lief en houdt uiteindelijk niets goeds ervan over.